Aanvankelijk werd de Brazilaanse cultuur sterk beïnvloed door de Europese, vooral de Franse. Tot aan het begin van de twintigste eeuw was Europa de maat der dingen. Er kwam echter een beweging op gang van kunstenaars die op zoek gingen naar een nationale, Braziliaanse identiteit die de culturele rijkdom van de jonge natie beter zou kunnen weerspiegelen. Het was een beweging die probeerde de verschillende culturele wortels van Brazilië te combineren: van folklore tot de officiële kunst. Daaruit werd de zogenaamde Música Clássica Brasileira geboren, een uniek genre dat tegenwoordig ook buiten Brazilië erkenning geniet.
Internationale erkenning is er zeker voor Heitor Villa-Lobos (1887-1959), de
beroemdste Braziliaanse componist. Geboren in Rio de Janeiro, begon hij op veertienjarige leeftijd
te componeren en werkte hij aan één van de omvangrijkste compositorische oeuvres van de twintigste
eeuw. Vele verschillende genres en stijlen hebben hun weg gevonden in zijn werk. Hij was een
vernieuwer in die zin dat hij het Braziliaanse muzikale erfgoed wist te combineren met een moderne
muzikale taal. Op zoek naar de muzikale wortels van zijn land bereisde hij alle uithoeken van Brazilië
in een tijd dat zoiets nog een echt avontuur was. Overal deed hij onderzoek naar de folkloristische en
Indiaanse muziek.
De componist Hekel Tavares (1896-1969) bewoog zich juist in tegengestelde richting.
Vanuit zijn geboortegrond in Alagôas verhuisde hij naar Rio de Janeiro, de toenmalige culturele hoofdstad
van het land. De basis voor zijn werk was de folklore. In zijn muziek portretteerde hij de eenvoudige mens
en zijn liederen hadden een regionaal karakter. Hij bewoog zich op het grensvlak tussen populaire en
kunstmuziek. Juist daarom wezen de kritieken en een aantal van zijn generatiegenoten onder de componisten
zijn succes af. Dat verhinderde hem niet zijn werkterrein uit te breiden naar de symfonische muziek. Zo
componeerde hij enkele pianoconcerten waarin een grote rijkdom aan folkloristische ritmes terug is te
vinden.
Een andere componist die door het bruisende culturele klimaat van Rio de Janeiro werd aangetrokken
was Jayme Ovalle (1894-1955). In zijn geboortestreek Pará, in het Noorden, bekwaamde
hij zich in het spelen van mandoline, gitaar en piano. Belangrijk in deze culturele smeltkroes van Rio
was de rol van de bohème, een bonte mengeling van populaire artiesten met kunstenaars, componisten en
intellectuelen uit de elite. In dat milieu werd menige nacht doorgebracht met muziek en verhalen. Hier
kwam Jayme ook in aanraking met gevierde kunstenaars als de componist Villa-Lobos, de schilder Di Cavalcanti
en de dichter Manuel Bandeira, wat een grote invloed op zijn groei als kunstenaar had. Jayme Ovalle is
het typische voorbeeld van een eenvoudige gitarist die overging naar de kunstmuziek en daaraan de grote
rijkdom van de volksmuziek toevoegt.
Een bohémien was ook Francisco Mignone (1897-1986), uit São Paulo. Nachten waarin typische
volksmuziek als de "chorinhos" werden gespeeld met begeleiding door gitaren en "cavaquinhos" waren zeker een
bron van inspiratie voor deze componist. Mignone speelde een sleutelrol in de nationalistische beweging.
Het is mede aan hem te danken dat de muziek van de zwarte bevolking, van de Indianen en uit de binnenlanden
hun intrede konden maken in de concertzalen. In zijn symfonische werken komt het Braziliaanse karakter van
zijn muziek duidelijk tot uitdrukking.
Een zeer belangrijke figuur in de Braziliaanse muziek was Oscar Lorenzo Fernandez (1897-1948)
uit Rio de Janeiro. In zijn eerste composities is een sterke invloed aanwezig van de Franse componisten
Debussy en Ravel. Maar in dat werk ontbrak volgens zijn eigen zeggen "de resonantie van het leven om mij
heen; alles was doordrongen met een Europese geest, zonder persoonlijke eigenschappen, zonder nationale
kleuren". Op zoek naar een eigen persoonlijkheid schreef hij muziek die zich kenmerkt door een grote
ritmische, folkloristische en instrumentale rijkdom. De muziek van Fernandez is eng verbonden met zijn
Braziliaanse wortels.
Terug naar de wortels. Dat geldt zeker voor Waldemar Henrique (1905-1995), ook bekend als
de "Boodschapper van de Amazone". Het thema van zijn werk is de folklore van Noord-Brazilië, van het
Amazone-gebied en van de indianen. Waldemar studeerde piano, viool, harmonie, compositie en zang in zijn
geboortestad Belém (Pará) bij de monding van de Amazone. Later studeerde hij in Rio de Janeiro, onder andere
compositie, orkestratie en directie. Zijn muziek weerspiegelt de ziel en het volk van Brazilië. Zelf zei hij
hierover: "Mijn werk is gebaseerd op de vreugde van het volk en geworteld in het land en de uitdrukkingswijze
van mijn land".
Waar Waldemar gericht was op zijn roots in het Noorden van Brazilië, zocht
César Guerra Peixe (1914-1993) uit Petrópolis, deelstaat Rio de Janeiro, zijn inspiratie
in het Noordoosten. Hij werd wel de 'zuidelijke noordoosterling' genoemd vanwege zijn grote onderzoek naar
folklore in die regio. Peixe's kennis op dat gebied geeft aan zijn werk een heel eigen dimensie door het
gebruik van ritmes als "maracatú", "coco", "xangô" en "frevo". In later werk, zoals "Tributo a Portinari",
laat hij zijn grote orkestratietalent zien. Weinig componisten waren zo veelzijdig en tegelijk beknopt in hun
muzikale taal als Peixe. Zijn streven naar eenvoud was een van zijn belangrijkste kenmerken.
José Siqueira (1907-1985) is een componist wiens werk eveneens verbonden is met een nationalistische esthetiek en dan vooral gericht op het Noordoosten. Hij werd geboren in Conceição (Paraíba) in de binnenlanden van het Noordoosten. Hij vervulde een belangrijke rol in de muziekeducatie en hij was één van de grote namen van de Braziliaanse muziek in de twintigste eeuw. Naast componist en dirigent was hij hoogleraar aan de Muziek School van de Universiteit van Brazilië. In 1940 richtte hij het "Orquestra Sinfônica Brasileira" op en in 1949 het "Orquestra Sinfônica do Rio de Janeiro". Hij heeft een kolossale catalogus met werken achtergelaten, reikend van opera, oratorium en symfonie tot kamermuziek voor solo-instrument en stem.
Er waren nog meer belangrijke figuren. Mozart Camargo Guarnieri (1907-1993) is na Villa-Lobos
waarschijnlijk de meest uitgevoerde componist in het buitenland. Geboren in Tietê, deelstaat São Paulo, begon
hij al op tienjarige leeftijd met de muziekstudie. In 1923 verhuisde hij met zijn familie naar São Paulo om
piano te studeren bij Sá Pereira en Ernani Braga, en compositie en directie bij Lamberto Baldi. Vooral deze
laatste heeft een beslissende invloed gehad op zijn muzikale vorming. Door de bemiddeling van de pianist
Antônio Munhoz, kon hij in 1928 zijn composities "Dança Brasileira" e "Canção Sertaneja" voorleggen aan
Mário de Andrade, één van de grondleggers van het modernisme in Brazilië en een pionier van de
ethnomusicologie. Deze was zo enthousiast, dat hij Guarnieri onder zijn hoede nam en diens intellectuele
leermeester werd. Het werk van Guarnieri omvat meer dan 700 stukken. Hij was de enige Braziliaanse componist
die een compositiecursus opzette met als doel kunstenaars bewust te maken van de nationale muziek en de
daarmee verbonden vragen aangaande esthetiek, muzikale taal en middelen.
Eén van de componisten die door de handen van Guarneri ging was Oswaldo Lacerda (1927).
Afkomstig uit São Paulo (stad), groeide hij op in een muzikale familie. Hij was Guarneri's leerling van 1952
tot 1956. Guarneri stimuleerde hem om ook lessen te nemen bij andere componisten om andere gezichtspunten en
stijlen te leren kennen. Hij kreeg een beurs om onder andere bij Aaron Copland in de Verenigde Staten te
studeren. Dit werd de basis voor Lacerda's onafhankelijke stijl die wordt gekenmerkt door een geraffineerd
nationalisme. Hij combineert een uitgebreide kennis van de Braziliaanse muziek met een grote beheersing van
moderne compositietechnieken. Lacerda exploreert en waardeert vooral het lied, uitgaande van muziek en tekst
in al zijn Braziliaanse folkloristische en religieuze uitingen, en van volksverhalen en teksten van Braziliaanse
dichters.
Eén van de meest actieve en veelzijdige componisten was Claudio Santoro (1919-1989).
Hij werd geboren in Manaus, midden in het Amazonegebied, en werd beschouwd als een wonderkind. Op tienjarige
leeftijd kreeg hij een viool van zijn oom en toen hij 13 jaar oud was kon hij met een beurs viool gaan
studeren op het Muziek Conservatorium in Rio de Janeiro. In 1937 werd hij docent aan dezelfde instelling.
In de zestiger jaren zei hij het Braziliaanse nationalisme vaarwel en keerde terug naar het serialisme en de
dodekafonie van de Europese avantgarde. Zijn ideologische en filosofische heroriëntatie leverde allerlei
muzikale experimenten op. Zowel nationaal als internationaal was hij zeer actief als componist, onderzoeker,
dirigent, docent, organisator en jurylid. Hij nam deel aan tal van conferenties en organisaties. Zijn muzikale
erfenis telt meer dan 500 werken, waaronder 14 symfonieën, solostukken, trio's, kwartetten, concerten, cantates,
opera en electro-akoestische muziek. Zijn educatieve en artistieke werk is van grote betekenis geweest voor
meerdere Braziliaanse generaties.
Als laatste Babi de Oliveira (1915/1994), de enige vrouw tussen deze componisten. Zij werd geboren in Bahia, maar ook zij vestigde zich in Rio de Janeiro. Zij maakte carrière als componiste en pianiste van populaire muziek. Haar werk is sterk geïnspireerd door de folklore en bevat tal van prachtige pagina's met thema's uit het Noordoosten van Brazilië, van de stranden, liefdesliedjes en poëzie. Als de Braziliaanse ziel ergens tot uitdrukking komt is het wel in haar werk.
© Cantiga Teatral 2008 Website gemaakt door: ToonZetting Webmaster: info@toonzetting.nl